Spraakwatervalstrik


Ik begin mijn verhaal vandaag bij een blijspel uit 1709.

De gewaande weuwenaar met het bedroge kermis-kind

EERSTE BEDRIJF - EERSTE TOONEEL.
MARIA, DINA. Eenige Bueren luysteren van ter zyden.

Maria. Goeden dag, Buerdochter, hoe gaat het jou toch al
    In deze kermis tijd?
Dina. Zoo tusschen vroed’ en mal.
    Ik heb op de kermis mijn oogen zeer gezien:
    En ooren doof gehoord aan al die vreemde liên:
    Een ieder scheen om prijs zijn Keelgat op te zetten;
    Daar riep ’er weder een, ey, wilt ’er wel op letten!
    Hier in deze Tent is het puikjen van de Merk:
    Den drang was daar zoo groot, ja dat een ieder werk
    Had, om met zak en pak daar heelshoofd uyt te raaken.
Maria. Waar ga je nu na toe? wat wil je nu gaan maaken?
Dina. Ik ga na huis, dewijl verscheenen is mijn tijd.
Maria. Wilt my eens zeggen, waar je nu woonachtig zijt?
Dina. Nu woon ik in den Haag, daar tien Kinderen zijn
    In huis, maar die zwaare huur, is wat zwaar voor mijn.
    Doch wat de Lieden belangd, die zijn als Lammeren
    Te bedienen, en zoo goed.

En zo begint het blijspel over de gewaande weuwenaar. Waarom ik hier mee begin? Ik zocht een woord in het WNT, spraakwater en las daar dat de oudste vermelding komt uit De gewaande weuwenaar met het bedroge kermis-kind. Ik citeer een passage uit het Tweede Toneel. Het begint met ene Daniel:

Daniel. Laaten wy de keel dan noch eens smeeren,
    Gy spreekt’er zoo smakelijk van, dat men ’er honger en dorst
    Van zou krygen. Dat is ’er eentje, die is noch niet bemorst,
    En daar heeft den Aap zijn neers niet aan geveegd.
Maria. Aan zijn gasconneeren
    Hoor ik wel, dat het Spraakwater begind te opereeren.
    Man, weest wat voorzichtig, en bewaard toch u respect.
Willem. Als ik dat had. Ik wil geen dankjen zeggen, als de Wijn geen effect
    En doet; laaten wy den Bezem nou eens uitsteeken,
    En ons hert eens ophaalen.

Ik vind dat een mooi woord, spraakwater. We weten allemaal wat ermee bedoeld wordt. En dat staat dan voor het eerst in dit blijspel. Waarover in een artikel van het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 46(1927) te lezen staat:

"Blyspel; ten minste zoogenaamd, maar eigenlijk een gedramatiseerd of gedialogiseerd pamflet uit de 18de eeuw (1710, of daaromtrent) tegen Prof. Petrus Burman, die - naar men hem aanwreef - in de kermisweek een Utrechtsche burgerdochter had verleid en een kind bij haar verwekt, waarover een uitvoerig proces (tot erkenning of schadevergoeding) voor 't Utrechtsche Hof is gevoerd."

Dat moet Petrus Burmannus Senior zijn geweest, volgens Wikipedia was hij rector magnificus van de Universiteit Utrecht in 1703 en in 1711. In 1711 ging hij de strijd aan met de theatervijandige Utrechtse clerus. Geen woord in Wikipedia over het schandaal waar hij als rector van de universiteit kennelijk in betrokken was. Wel is er een verslag over het proces te vinden op Google Books. Ik ben geen jurist en begrijp niet echt wat er nou uit is gekomen, maar de beschrijving van wat er is gebeurd laat weinig aan de fantasie over.


Na het lezen van deze pagina's kon ik het niet nalaten om het woord rystenbry-mutsje op te zoeken in het WNT en was niet verbaasd om daar als verwijzing dit proces document en het blijspel als enige verwijzingen terug te vinden. Dit verhaal was kennelijk populair bij de lexicografen honderd jaar geleden, maar het rijstenbrij-mutsje heeft niet de toets der tijd doorstaan. 

"Rijste(n)brijmutsje, benaming voor een wit nopjesmutsje, aldus geheeten naar de op rijstkorrels gelijkende nopjes.
Dat den Heer Professor … zijn Paruik van zijn Hooft af neemende …, Leide hy dezelve in zijn Hoed. … Dat daar op uit de tas van zijn Vest … haalde een wit gestikt genopt mutsje, Zoo als men het noemt een Rystenbry-mutsje,   Proces tusschen Dina v. Spangen cª Petrus Burmannus 4 [1709]
 Het Rijstenbrijs-mutsjen, 't geen hy op sijn hoofd Zetten,   Gew. Weuwen. 2, 28 [1709]."

Het verbaast mij dat de professor na deze affaire, of moet ik zeggen, verkrachting, nog verder carrière heeft gemaakt. Het waren kennelijk andere tijden. Tijden waarin dit verhaal werd omgezet in een blijspel. Wellicht door een overijverige student? Wie het stuk geschreven heeft is mij niet duidelijk. Wat wel duidelijk is dat is dat de schrijver talent had voor taal. Want als je op het blijspel zoekt, dan kom je verschillende verwijzingen tegen die het blijspel noemen als eerste bron voor woorden een zegswijzen.

In Onze Taal van 2013 over "Ergens geen sikkepit van geloven".

"Geen sikkepit komt echter zeker al sinds het begin van de achttiende eeuw voor. In het blijspel De gewaande weuwenaar met het bedroge kermis-kind (1709) staat "Geen fnazel [vezel, pluisje] of zikkepitjen zal er aan manqueeren."

In Ensie kom ik "zo dom als het achtereind van een koe (varken)" tegen:

"(18e eeuw) (inf.) erg dom. Reeds opgetekend in 'De Gewaande Weuwenaar met het Bedroge Kermis-Kind. Blyspel' (1709)."

In het tijdschrift Taal en Letteren. Jaargang 3(1893) vinden we:

"De spreekwijze ‘oude koeien uit de sloot halen’, wordt dan eerst duidelijk, wanneer men weet, dat met oude bedoeld is lang verdronken, zooals blijkt uit De Gewaande Weuwenaar met het Bedroge kermis-kind, blijspel, dl. II, bl. 24:

Of neem het woord aap. Daarover lees ik in het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 12(1893)

"Inderdaad gebruikte men reeds in de 17de eeuw het woord aap voor een verborgen schat, een onverwacht voordeel (zie het Ndl. Wdb. I. 528). Ook sprak men van ronde apen (vgl. thans ronde schijven), zooals blijkt uit De gewaande Weuwenaar met het bedroge kermis-kind, blijspel (zonder jaartal en naam van den drukker), dl. II, 44:"
 
Naauw'lyks sliep hy, of zy luisden de ronde aapen
Uit oom kool zyn beurs. Des morgens vreef hy de slaap
Uit zijn oogen, en voelden, dat'er van den Aa
Zijn veeren in die nagt vry veel waaren gevloogen.

In de Etymologiebank vind ik een verwijzing naar het Groot Scheldwoordenboek dat gaat over het woord vod:

"Vod: waardeloos iemand. Soms ook voor een liederlijk figuur, een losbol.
Wat brust me de vod! (De Gewaande Weuwenaar, met het Bedroge Kermiskind. Blyspel, 1709)"

Kortom, een blijspel uit 1709 dat nu vrijwel niemand meer kent, over een vieze oude Utrechtse professor blijkt een bron van nieuwe taal te zijn voor het Nederlands, waaronder het woord spraakwater. Hoe een afzichtelijke daad toch iets moois kan opleveren.

Een ander woord dat mijn pad kruiste is het woord valstrik. Volgens het WNT voor het eerst te vinden in de  (Eerste volledige Nederl. bijbel, waarin de overzetting van Luther is gevolgd. Aan het slot: Gheprint ... By my Jacob van Liesveldt ...) Uitgave: Antwerpen, 1526

"Zie Lucas 21 vers 35. "Gelijc een valstrick sal hi (Christus) comen, ouer alle die opter aerden woenen,"

Een valstrik, wat is dat dan? Ik denk dan altijd aan zo'n touw, in lus vorm, dat op de grond ligt en waar je, als je erin stapt, net als Indiana Jones wordt opgehesen en ondersteboven komt te bungelen aan een boom. Waarna je ergste vijand de schat van je afpakt en je over laat aan een stel hongerige stamleden, die wel trek hebben in gestoofde hersenpan.

Maar wat valt er dan in de valstrik. Je kunt toch niet omhoog vallen? Daarvoor kijken we bij de eerste betekenis. 

"Strik die over iets heen valt, vooral net om vogels te vangen."

Ok, een valstrik is dus een soort lasso die om je heen valt en je te grazen neemt, maar vooral een net om vogels mee te vangen.

De omschrijving van de figuurlijke betekenis in het WNT is ook mooi:

"Verraderlijke poging om iemand in moeilijkheden of ten val te brengen, in het ongeluk te storten; boos opzet; verleiding of verzoeking, iets dat ten verderve leidt."

En natuurlijk is er ook nog een andere betekenis waar ik nog nooit van gehoord had. 

"(Scheepvaart; ongewoon) Keertalie"

Een keertalie is een keereind volgens het WNT. Maar daar word ik nog niet veel wijzer van.

"v. (-s), talie om een op te hijsen of af te vieren last af te houden (van een muur, een scheepswand e.d.). Talie, takel bestaande uit twee blokken, elk met een of meer schijven waardoor een touw is geschoren."

Ik kom het woord tegen in het SAS Survival handboek tegen uit 2013, waarin beschreven wordt hoe je een stuurbaar vlot kunt bouwen met een A-frame en keertalies om het A-frame vast te zetten.

Waarom ze dit in de scheepvaart ook een valstrik noemen is mij onduidelijk. Ik heb in elk geval geleerd dat een valstrik iets anders is dan ik dacht en dat Christus ooit als een valstrik over ons op aarde zal komen. Dat is dan zeker in de letterlijke betekenis van dat net en dan zijn wij de vogels. Alleen de figuurlijke betekenis slaat bij Christus als een tang op een varken.

Het kan toch niet zo zijn dat Christus ons in een verraderlijke poging om ons in moeilijkheden of ten val te brengen, in het ongeluk te storten; met boze opzet; verleiding of verzoeking, ons ten verderve wil leiden? Ik dacht dat hij juist het tegenovergestelde voor ogen had. Met andere woorden, die figuurlijke betekenis is nogal ongepast in vergelijking met de oorspronkelijke betekenis in Lucas 21 vers 35.

Wat mij tenslotte brengt bij een taalspel dat ik vaker speel. Ik combineer soms twee woorden tot iets nieuws en zo ontstaan dan nieuwe betekenissen. Ik presenteer vol trots het nieuwe woord...

Spraakwatervalstrik

Wat dat betekent? Het staat nog niet in het WNT of een ander woordenboek, maar wat nog niet is, dat kan nog komen. De spraakwatervalstrik begint in elk geval zoals het blijspel over professor Petrus Burmannus Senior. Ook ik moet denken aan Rick's Café Américain in de filmklassieker Casablanca, met een wanhopig figuur aan de bar en schimmige gasten die allemaal een geheim hebben en een verborgen agenda. Dat er iemand naast de wanhopige figuur komt te zitten aan de bar en dan een praatje begint.

Kom, neem d'r nog eentje! Zo wordt de spraakwatervalstrik gelegd. De spraakwatervalstriklegger is nieuwsgierig, doelgericht, neemt de tijd en heeft als belangrijk attribuut de beschikking over een volle fles spraakwater. Het spraakwatervalstrikslachtoffer beschikt om te beginnen over een gezonde dorst, een gebrek aan mensenkennis, behoefte aan goed gezelschap en een overschot aan sterke verhalen die graag verteld willen worden. Het spraakwatervalstrikslachtoffer hoort zichzelf graag praten. Cruciaal is dat er temidden van die sterke verhalen een geheim dobbert waar de spraakwatervalstriklegger naar zit te vissen. Dankzij een continue stroom spraakwater en de woorden, kom, neem d'r nog eentje, borrelen de verhalen steeds verder op, totdat zij de overloop bereiken. Daar begint de spraakwaterval, Eerst sijpelen de eerste verwijzingen naar het geheim over de rand en na wat aandringen gutst het geheim naar buiten. De spraakwatervalstrik slaat dicht. De fles is leeg. De spraakwatervalstriklegger verlaat tevreden het etablissement.

De spraakwatervalstrik is zo doorzichtig als spraakwater en toch trappen er steeds weer mensen in. Vooral in films en blijspelen die geen blijspelen zijn. Het is, welbeschouwd, een tragisch woord.

Tot zover het nieuwe woord spraakwatervalstrik. Dank voor het luisteren en tot de volgende keer!